Wielerexpress
wielerexpress columns en affaires

Een tandje weg

Wie fietst of wielrent, kan veel verhalen. Altijd maakt men wel iets mee. Dat geldt zowel voor de gewone fietser, de toerfietser, maar vooral voor de wielrenner. Spreek met mensen die ooit gewielrend hebben en dan blijkt dat zij (ook al betreft het soms maar een beperkte periode) veel al of niet sterke verhalen c.q. anecdotes kunnen vertellen. Ikzelf maakte aan het eind van het seizoen 1997 ’iets’ mee, dat mij daarna nog lang bleef achtervolgen. Het is in feite een verhaal voor bij de borrel (!) tafel en het gebeurde na afloop van de Sluitingsrit 1997. Ik heb het niet eerder verhaald in de editie 1998, omdat ik het een té gênant verhaal vond. De onverwachte finale na de Sluitingsrit in oktober 1998 - dus een jaar later - was echter zo bizar, dat ik u dit stukje ’volkstoneel’ niet wil onthouden.

De Sluitingsrit 1997

Iedere club sluit het seizoen af met een traditionele sluitingsrit. Zo ook de club waar ik lid van ben: HSV de Kampioen. Het parkoers is het Westhofbos nabij Spaarndam. We rijden een koppeltijdrit, waarbij een licentiehouder is gekoppeld aan een niet-licentiehouder. Mijn maat is Benno Crombeen (schaatser van origine en inmiddels licentie-houder). Achter zijn brede en statige rug, voel ik mij als rijdend achter een derny. We eindigen - in een redelijk veld deelnemers - als derde. Na afloop is er een gezellig samenzijn.

Dorst

Een Sluitingsrit - hoe beperkt de afstand ook is - geeft toch een ’dorstig gevoel’ na afloop. Ik laaf mij en raak - er is na afloop van de sluitingsrit een jeugdtoernooi - in gesprek met ouders van kinderen. Na afloop van het toernooi is er nog sprake van een officiële plechtigheid: Frans Kock heeft zich als bestuurslid zodanig verdienstelijk gemaakt, dat hij via destrictbestuurder Henk van Veen het Zilveren Wiel krijgt uitgereikt. Een terechte onderscheiding, hoewel ik vanuit een bepaald principe een afkeer heb wat betreft onderscheidingen, die ’rangen en standen’ kent. Waarom is niet ieder KNWU-wiel van goud? Ieder mens is toch gelijk...? Frans is er echter blij mee en daar draait deze middag om.

Dit alles - na afloop van het seizoen - overpeinzende, wordt mijn glas herhaaldelijk vol geschonken of ik laat het volschenken. Het valt mij op, dat hoe meer ik probeer mijn dorst te lessen, hoe meer deze dorst toeneemt. Ik verslijt daarnaast minstens één stel raceschoenplaatjes tijdens mijn frequente en regelmatige tred naar de ’plasbak’. De blaas is niet meer zoals vroeger...

Op het verkeerde kantje

Op weg naar huis - via de binnenroute naar de Spaarndammerdijk - voel ik me prima. Ik kijk de weilanden in en verbaas me - voor de zoveelste maal - over de waterhuishouding in de polder. De sloot die aan mijn linkerkant ligt, kent talloze variaties wat betreft de structuur - de afzonderlijke gedeelten zijn gescheiden door dammen - en de diepte. In feite uniek. Een van deze stukjes sloot ligt geheel verzonken en heeft - mede doordat de sloot vrijwel geen water bevat - een diepe wallekant. Mijn blik dwaalt - waarschijnlijk - af.

Dan gaat er iets mis in de coördinatie en harmonie tussen lichaam en geest. Ik kom ’op het kantje te rijden’, maar het is niet de zijde rechts (dat is de meest logische zijde), maar ik word gedirigeerd naar links. Dat is een tegennatuurlijke keuze... Dan plof ik neder. Ik voel mij duikelen in de afgrond naar de sloot.

Dan gaat ’het licht uit’ en raak ik het besef van tijd en plaats kwijt...

Op het verkeerde kantje...

De ontwaking en het verloren gebit

Ineens, bevangen door kou en besmeurd met modder, kom ik weer bij mijn positieven. Ik draai mij om en bespeur een afschuwelijke stank. Ik lig soppend in een smerige brei van vergane rietbladeren, drek en stinkend afval. De stank van een totaal rottingsproces is alom aanwezig. Is dit mijn erepodium van deze dag...?

Ik voel mij - de rugzak zit nog om de schouders - als een parachutist, die - met een ongeopende parachute - een verkeerde landing heeft gemaakt. Mijn hals kan ik niet of nauwelijks draaien en het gehele gebied daaromheen is pijnlijk. Ik praat mijzelf moed in bemerk dat ik lispel. De oorzaak is snel gevonden: mijn ondergebit is verdwenen... Ik doorzoek - met wankele tred - de nabije omgeving, maar geef al snel de moed op.

Ik kan mij - tijdens de rit naar huis - niet herinneren wat er precies gebeurd is. Waarschijnlijk zijn de hersencellen die het korte termijn-geheugen bedienen, ter plekke - of reeds eerder - afgestorven. In mijn herinneringsopslaggebied zit een zwart gat van ruim een uur.

De andere dag ga ik zelf op onderzoek uit. Ik doorloop - er schijnt een vriendelijke najaarszonnetje - met blote voeten de baggersloot. Hopende ergens ’iets knagends’ te voelen. Rietstengels knakken. I neens een doordringende pijn: een kort bij de bodem afgebroken rietstengen dringt als een stiletto mijn voet binnen. Ik geef de speurtocht naar mijn onderprothese op. Het gebid was amper één jaar oud. De vorige prothese (op dat moment reeds ’afgeschreven’) verdween - tijdens de viering van oud op nieuw - toen oliebollen en andere versnaperingen langs een niet geheel natuurlijke weg voortijdig in het toilet werden gedeponeerd. De modder blijkt heilzamer dan de geur doet vermoeden. Er is amper sprake van een zichtbare wond, hoewel de stengel toch enkele centimeters in het weke voetweefsel verdween. Er volgt later geen ontsteking, of zoiets. Mijn lichaam heeft waarschijnlijk - in de loop der wielerjaren - niet voor niets talloze toxiologische oorlogen gevoerd. De daardoor gekweekte anti-stoffen doen nu hun werk.

De dag erna gaat mijn vrouw, vergezeld van dochter en kleinkinderen, een poging doen om de prothese alsnog te lokaliseren. Zij zoeken met een hark de bodem af en speuren door het gras.

Helaas... De volgende dag zit ik bij de tandtechnieker en hij brengt f 1250,-- in rekening voor een nieuw ondergebit

Hoe, dat is me nu nog steeds een raadzel, maar ’het peleton’ - ofwel een gedeelte daarvan - weet enkele dagen feilloos te vertellen, dat ik ’mijn gebit verloren heb, doordat ik een sloot inreed’. Ik krijg zelfs een mooi vierkant doosje door de Post toegezonden. Het is een (opwindbaar) klapperend en ’lopend’ kunstgebid. De afzender is niet aangegeven. De poststempel komt uit Beverwijk. Mijn kleinkinderen lopen - als ik het kunstgebit laat rondspringen - verschrikt weg...

Een jaar later

Het is 1998. Wederom is er een sluitingsrit. Ik rijd samen met Arie Zaalberg. Er is geen jeugdtoernooi, geen uitreiking van een zilveren wiel, dus ook geen reden om langer dan gebruikelijk na te kletsen. Ik heb deze dag ’minder dorst dan een jaar geleden’ en pedaleer op mijn gemak naar huis.

Deze route heb ik gedurende het seizoen iedere zondagochtend gereden, maar nu is het precies één jaar geleden. Mijn nek (kraakt bij het draaien, met daarnaast soms uitstralende hoofd- en halspijn) is nooit meer geworden wat het geweest is, hoewel de manuele therapeutische behandeling van Mark Bloemberg inmiddels wel in een heilzame en verzachtende uitwerking heeft geresulteerd.

De wind speelt met mijn gedachten, mijmeringen en herinneringen. Mijn huidige ondergebit - dat altijd minder stabiel zit dan een bovengebit - voelt goed aan. In het vorige ondergebit had ik één gouden kies laten monteren, om (hopelijk) daardoor het kunstmatige effect zoals iedere prothese etaleert, enigzins te neutraliseren. In mijn nieuwe ondergebit heb ik dit - optisch bedrog - achterwege gelaten.

Ik kijk naar het gras, dat aan het verdorren is. De herfst zal binnenkort plaatsmaken voor de winter.

Dan ineens stokt mijn blik.

Aan de overkant glinstert iets in het gras.

Het najaarszonnetje wordt weerkaatst door een ’prothese met een stukje goud’.