Wielerexpress
wielerexpress columns en affaires

'Ik ben engelbewaarder Gabriël'

Enkele keren per jaar vertoeven mijn vrouw en ik voor een lang weekend in Zeeland. Hotel Piccard in Vlissingen is daarbij onze pleisterplaats. Zo ook nu weer. Bij aankomst in Zeeland bel ik Jo de Roo om te informeren of er ’s middags weer een ploeg vanaf de Goese markt gaat trainen. Ik krijg Ella aan de lijn: ’Jo doet vandaag mee aan de Delta Nuts toertocht van 190 kilometer over het eiland’. Ik weet genoeg en besluit om ’s middags naar Goes te rijden, waar de deelnemers druppelsgewijs bij de Delta Nutsbedrijvenkantine arriveren. Kleppers zoals Jo de Roo, Henk de Jong en Jan Meier maken deel uit van de eerste ploeg. De afstand is in minder dan vijf uur gereden. Dat noemen ze in Zeeland dus een toertocht.

Niet alleen ik, maar ook veel gearriveerde renners hebben dorst en honger. Er is een heerlijk buffet en bladen met bier worden doorgegeven. Er heerst een amicale sfeer. Het gezegde: ’Ons Zeeuwen bin zuunig’, gaat beslist niet op, vooral niet wat betreft een pint vatten.

Als de dorst is gelest, hetgeen even duurt, ga ik weer terug naar Vlissingen. Het is prachtig zomerweer en ik fiets op een smal fietspad langs de provinciale weg. Het gras is gemaaid en ligt als hooi langs de kant. Een verzadigd gevoel welt op. Het lijkt of het fietspad steeds smaller wordt...

Het hooi geurt en oefent een enorme aantrekkingskracht op mij uit. Hooi is namelijk voor twee dingen een heerlijke ondergrond: ’om de liefde te bedrijven’ of ’om even een tukkie te doen’. Er is geen geliefde in de buurt, die zit in Vlissingen verzuchtend te wachten (’waar blijft die kerel van mij nou weer...?’), dus kies ik voor het laatste en val in een diepe slaap.

Ineens voel ik dat iemand aan mijn arm trekt en ik kijk in het gelaat van een manspersoon. De zon schittert in zijn brillenglazen en daarachter bespeur ik twee samengeknepen ogen. Het vizier van mijn waarnemingsvermogen staat, mede door de diepe slaap, de ’dorstlessers’ en de scherpe zon, niet gelijk op scherp. Ik meen in de persoon Leen de Kunder te herkennen. Hij is een van de Zeeuwse renners en ik ben in de veronderstelling - niet beseffende dat ik al meer dan een uur in dromenland heb vertoefd - dat hij mij met de auto achterna gereden is, om me naar Vlissingen te brengen.

’Godverdomme Leen, dat is leuk dat je mij even komt ophalen’
’Ik ben Leen niet’, antwoord een ijzige stem. ’Ik dacht dat u misschien gevallen was en dat vloeken van u vertoornt de Heer. Beschouw mij als de engel Gabriël die u bij staat’

De man blijkt een predikant te zijn van een van de eilanden en loopt hoofdschuddend terug naar zijn auto, waarna ik - als op een wolk voortgedreven - mijn weg vervolg.

’Ik ben engelbewaarder Gabriël’