Rotondes. Ze zijn er in iedere plaats. Het is op de fiets altijd weer uitkijken, wie er nou voorrang heeft. Soms is dat de fietser, maar soms ook de automobilist. Een kwestie van aanvoelen. In de meeste gevallen houden automobilisten, ook als ze voorrang hebben, even in, als je op de fiets aangeeft (simpel even je arm gebruiken) dat je ’de volgende afslag moet hebben’. Mij verging het anders en dat leidde tot een hilarische toestand.
Mijn trainingsrondje gaat veelal rondom de Haarlemmermeer of door de IJpolder langs het Noord-Zeekanaal via het kopje van Bloemendaal naar Zandvoort en daarna over Vogelenzang via Haarlem (of de polder) naar huis. Ruim zestig kilometer. In Driehuis (Velsen), halverwege de Driehuizerkerkweg is een rotonde. Ik vervolg deze weg - via de rotonde - altijd rechtdoor richting het nabijgelegen crematorium. Zo ook op deze dag. Ik kom op de rotonde afrijden en als ik op het fietsenpad (dat om de rotonde loopt) rijd, komt er vanaf de Van den Vondelweg (die dus mijn route kruist) links een auto, die eveneens rechtdoor wil, richting IJmuiden. De auto heeft in dit geval - is te zien aan de haaientanden - voorrang, maar zoals gezegd, geeft bijna iedere automobilist de fietser voorrang. Vanuit mijn ooghoeken voel ik dat de auto mij geen voorrang geeft, maar gewoon doorduwt en voorrang neemt. Ik zie het spatbord bijna mijn voorwiel raken en nog juist kan ik door een snelle stuurreactie met de auto meesturen en rijd ik in een richting die niet de mijne is. Ik vloek en zwaai kwaad met mijn arm. De bestuurder in de auto steekt zijn middenvinger omhoog en ik zie een grijnzende kop in zijn achteruitkijkspiegel.
Woede neemt bezit van mij. Even verder zijn stoplichten en ik sta aan de rechterkant, in verband met het tegemoetkomend verkeer, gelijk naast de auto. Het raam staat open en naast de bestuurder zit een vrouw van middelbare leeftijd. De lucht van verkeerde parfum kwelt mijn reukorgaan en ik kijk in een braakneigingen opwekkend decolleté. De vrouw draagt waarschijnlijk een pushup bh, waardoor haar rondingen ommanteld lijken te zijn met gelooid leer, overgaand in een varaanachtige hals. Met veel lipstick heeft zij geprobeerd om smalle lippen meer oppervlakte en volume te geven. Ik laat mijn verontwaardiging duidelijk blijken en haar antwoord, maakt mij nog kwader, als zij zegt: ’Mijn man had je beter dood kunnen rijden’. In mijn verbale reactie laat ik blijken, haar ’een ouwe smerige temeier’ te vinden. Zij wil het raam dicht draaien, maar ik verhinder dat. Dan wil zij in mijn hand bijten en in dit geharrewar sneuvelt haar - naar ik aanneem valse - parelsnoer. Zij wordt hysterisch en schreeuwt: ’Karel doe dan wat’. Maar Karel die zojuist nog zo flink was om zijn auto ’door te drukken’ zit geschrokken achter het stuur. Zijn half uitpuilende en bloeddoorlopen ogen, alsmede de blauw geaderde huid, duiden op een frequent alcoholgebruik.
Karel doet totaal niets, zit apathisch te kijken, maar komt toch ineens op een idee, als ik in zijn met goud geringde worstvingers ineens een mobiele telefoon zie verschijnen. ’Ik ga de politie bellen’, kraait hij met kirrende stem triomfantelijk uit.

Het is de gesel van deze maatschappij. Nog weerzinwekkender dan Joop Braakhekke en Paul de Leeuw in het kwadraat. Loop rustig in een bos, sta te wachten op een station, zit in de bus of trein, ga met je kleinkinderen naar zwemles of de kinderboerderij, vertoef in de serene rust van een bibliotheek, of zit geconcentreerd in de kleedkamer, dan maak je mee dat er van iemand een mobieltje over gaat. Natuurlijk zijn er beroepsgroepen waarvoor dit apparaat een toegevoegde waarde heeft, maar merendeel van de bezitters heeft een mobieltje uit pure geestelijke armoede. Waar een mens ook is, hij wordt gedwongen om mee te luisteren naar gesprekken van anderen. Dan pas blijkt hoe armzalig de gespreksstof in de meeste gevallen is. Constructief en zakelijk communiceren is zelden aan de orde. Mensen die in een normaal gesprek anderen niet in de ogen durven te kijken, hebben nu ineens de meeste babbels. Het communicatievermogen is volledig verdampt en gesprekken zijn totaal inhoudsloos en gedegradeerd tot zelfs onder het niveau van het totale nihilisme. Gezinnen raken ontwricht door discussies en de daarop volgende ruzies over de ’hoge telefoonrekeningen’. Mobiele telefoon, internet en digitaal, het zijn begrippen die de mens doen degenereren tot creaturen zonder enige vorm van beleving en scherpzinnigheid van geest. Primaire emoties en gevoelens worden uitgeschakeld. Wie kan er nog genieten van een mooie vulpen, geankerd steensuurwerk of een fraai gebonden boek? Automobilisten rijden al gsm-end zomaar hun oprit af zonder op fietsers te letten. Kruispunten worden pardoes overgestoken. Kortom, een mens is door de mobiele telefoon zijn leven op de fiets soms niet meer zeker. Vroeger waren er mensen die in zichzelf liepen te praten, dat vond je zielig. Nu kom je niet anders tegen, alleen hebben deze contactgestoorde zielenpoten dan één hand tegen de oorschelp, waarin hun allerkostbaarste bezit rust. Een bezit dat hen pas eigenwaarde geeft. Dit geldt zowel voor jongeren, maar ook ouderen. Zij allen lopen rond met een gelukzalige gelaatsuitdrukking alsof zij op een bijna incestueuze wijze de liefde met hun mobieltje bedrijven. Het hoofd in de nek, de kirrende geluiden, die in niets lijken op enige vorm van conversatie en de soms schokkende lendenstreken wijzen op fysieke kenmerken waarmee een spontane ejaculatie of orgasme gepaard gaat.
Na deze tirade zal het voor de lezer duidelijk zijn, dat de mobiele telefoon van mij een ongeleid projectiel maakt. Nog voordat de man kan bellen, heb ik zijn mobieltje uit zijn handen gerukt. De pushup varaan zit met uitpuilende ogen en luchthappend naast hem.
Dit alles speelt zich in enkele seconden af en het stoplicht springt inmiddels op groen. De man rijdt nog niet door en kijkt totaal ontredderd naar zijn lege hand en daarna hulpeloos om zich heen. Met een snelle beweging zak ik een fractie door de knieën en leg de mobiele telefoon voor het achterwiel. Er wordt getoeterd. Een automobilist die alles, dus ook de manoeuvre bij de rotonde, gevolgd heeft, steekt goedkeurend zijn duim naar mij omhoog.
Er wordt nu ook door andere auto’s geclaxonneerd. De karavaan zet zich in beweging.
Ik keer me om en begeef me naar het fietspad. De wagen trekt langzaam op en ik beluister de laatste stervende tonen van een mobiele telefoon.
Het klinkt als klaroengeschal en engelengezang in mijn oren.