Het is een mooie dag in september 2000. Reeds bij het opstaan en de trap aflopen voel ik dat ’de benen goed zijn’. Het zijn dagen die vooral bij het ouder worden steeds zeldzamer voorkomen. Een speciaal tintelend gevoel stroomt en straalt via de meridianen als energie door het lijf. Een soort amfetamineachtig effect, alsof je op een mooie voorjaarsdag onbezorgd en totaal ontspannen door een bos fietst of wandelt. Hoewel ik steeds meer vanuit het schemerduister van de aftakeling, de definitieve duisternis van het wielerleven nader en de krampen van de naderende rigor mortis zich met regelmaat doen gelden, voel ik dat dit een dag is waarop ’de sterren gunstig staan’.
Het parkoers van Zolder is vijf kilometer en niet echt selectief, maar moet daarentegen ook niet onderschat worden. Het is licht glooiend met goed lopende bochten. Er staat veel wind en het deelnemersveld is verdeeld in de groep tot veertig jaar en vanaf veertig jaar. Hierdoor staat de redactieploeg (Richard Plugge, Menno Grootjans en anderen) van het blad Fiets niet met mij aan de start. Het is een gecombineerd kampioenschap voor Belgische en Nederlandse deelnemers, met een aparte klassering. We rijden veertig kilometer.
De start is traag en niet in mijn voordeel, want als niet-sprinter heb ik geen enkel voordeel aan een massaspurt. Vooral de Belgische deelnemers zien er scherp en gesoigneerd uit. Ik heb vooraf beluisterd dat er ook licentiehouders en getrainde toerrijders (Marmotte) deelnemen. Het ’geschoren benen’ gehalte ligt minstens op negentig procent. Dat zegt voldoende. Niemand durft blijkbaar te rijden, dus neem ik zelf maar het initiatief om de koers ’hard te maken’. Moet u zich voorstellen: ik die in meer dan veertig wielerjaren alleen maar ’tussen de wielen heb gereden’ ga nu proberen de koers hard te maken!
Het peloton rijdt op een lint en er vallen een paar gaten. Ik rijd nog steeds op kop, wordt teruggehaald en het tempo valt stil. Weer demarreer ik en dan ben ik weg en loop steeds verder uit. Tegen de heuveltjes en met zijwind draai ik constant 52/15 (soms even terug naar 52:16) en met wind in de rug minimaal de ’14’. Mijn voorsprong neemt toe en op een gegeven moment komt de volgauto achter mij rijden. Doordat het parkoers weinig rechte gedeelten kent, maar constant draait, is het peloton uit zicht en zien ook zij mij niet meer. Vanaf de derde ronde (we moeten er acht rijden) koers ik voorop. In de zesde ronde zie ik in de verte het peloton weer in zicht. De volgauto komt naast mij rijden en de inzittenden moedigen mij fanatiek aan. In de luwte van de auto komen de benen enkele tellen tot rust en ik roep: ’Blijf even schuin voor me rijden’. Men begrijpt dat ik het moeilijk heb en men overlegt zelfs, maar dan zegt de chauffeur op bijna verontschuldigende manier ’sorry’ en laat zich weer afzakken. Herhaaldelijk kijk ik achterom en meen daarbij steeds een groen shirt voorin ofwel op kop van het peloton te signaleren. Dat zou het shirt van de Erik d’Ailley kunnen zijn. Hij is ’beeldschermmedewerker’ (of zoiets) bij de Perscombinatie/Meulenhoff (uitgever o.a. Parool, Volkskrant, Trouw, NRC, AD) en ik ken hem als een semi-wielrenner die goed getraind is en ook de grote toertochten rijdt. Hij is rap, dus kanshebber.
Vlak voor het ingaan van de laatste ronde word ik ingehaald. ’Jammer Jan’, hoor ik Erik lispelen, als hij mij passeert. In de spurt doe ik nog een verwoede poging om de Nederlandse titel te bemachtigen. Enkele Belgen zijn duidelijk sneller, maar dat mag, zij strijden om hun eigen titel. Ik spurt met ollanders op één lijn, maar dan ineens ’gaat het licht uit’. Ik eindig als vijfde of zoiets, maar er is maar één plek: de eerste. Ik zie voor mij Bennie Ceulen als eerste Nederlander over de streep gaan, met in zijn kielzog Erik d’Ailley. Erik steekt beide handen omhoog, maakt een dolgelukkige indruk, laat zich - met nog steeds de armen gelukzalig richting hemel wijzend - uitbollen en geeft de indruk van blijdschap het wegdek te gaan kussen. Pas dan zie ik dat Bennie Ceulen een Belgisch rugnummer draagt. Hij was in de jaren zeventig beroepsrenner, werd daarna journalist en is een van de naaste medewerkers van Jean-Marie Leblanc. Bennie fietst regelmatig en heeft - is tien kilo afgevallen - speciaal voor dit kampioenschap getraind. Hij is een ras-Limburger en ik informeer waarom hij een Bels rugnummer heeft. ’Tja, ze dachten dat ik een Belg was’, is zijn nuchtere antwoord. ’Maar daar kun je toch tegen protesteren’, adviseer ik hem. Bennie gaat naar de jury en de uitslag wordt gewijzigd: Nederlands perskampioen is Bennie Ceulen.
Ik kom Erik tegen. Zijn ogen staan droevig en het lijkt of hij een traan wegpinkt.
Ik hoor mijzelf zeggen: ’Jammer Erik’