Wielerexpress
wielerexpress columns en affaires

Wartaal

Zowel het gesproken als het geschreven woord leidt in de wielersport niet zelden tot de kwalificatie Wartaal. We hebben een aantal onderwerpen voor u op een rijtje gezet.

Trainers

Toen er - al weer lang geleden - door de KNWU werd begonnen met een Trainerscursus en het Trainersdiploma verplicht werd gesteld binnen de begeleiding van een wielerteam, ja, toen is het pas echt mis gegaan met de wielersport! Erik Dekker, kaal stuur Veel (er zijn ook uitzonderingen) gediplomeerde trainers willen zich als zodanig waarmaken en gaan een eigen evangelie verkondigen, want dat klinkt immers interessant. Wij geloven overigens wel in een bepaalde trainingsmethodiek en ideologie zoals: blok- kracht- en hersteltraining, supercompensatie etc. en zeggen niet bij voorbaat dat een hartslagmeter kolder is. Iedere keer vinden wij het in de kleedkamer echter weer een gênante vertoning als met name vijftigplussers (bij wie het vetweefsel op bepaalde plaatsen soms niet weg te trainen is) de hartslaggordel om de borstkas hijsen, waardoor vaak een onesthetisch effect ontstaat als de massa van de onderhuids opgeslagen vet emulsie door de druk van de gordel, daaroverheen zwabbert en blubbert. Het heeft optisch een ranzig en afstotelijk effect alsof een jarretel rond een te kwabbige, vette dij is gespannen. ’Ouwe mannen met een hartslagmeter’, het gaat iedere fantasie te boven en geschetst deerniswekkend tafereel zou zelfs aan het visionaire brein van Hiëronymus (Jeroen) Bosch niet ontsproten kunnen zijn. Soms ook stappen (met name ouderen) ’zomaar’ af. Als we na afloop vragen: ’Pech’, is het antwoord: ’Neen, ik zag af als een beest en kwam niet aan mijn maximale hartslag. Dat is heel slecht want dan pleeg je roofbouw en kun je beter afstappen’. Stel voor dat zo’n lulverhaal aan een jonge renner (met hartslagmeter) wordt doorverteld, dan gaat hij toch geloven dat dit een juist verhaal is, met als gevolg: ’Ja ik ben maar afgestapt, want ik kon mijn maximale hartslag niet bereiken’. Ook in het rood rijden kan - volgens ons - geen kwaad, want juist door je eigen grenzen regelmatig in training of wedstrijd te overschrijden, kun je pas je eigen grenzen gaan verleggen! Dat je via de hartslagmeter in de training langdurig ’rond’ je omslagpunt (dus het punt waarop afvalstoffen zich in het bloed ophopen, omdat ze niet meer afgevoerd kunnen worden) kunt rijden, is een pluspunt. Mits het omslagpunt juist is en dat is nou juist het ’punt’.

Een hartslagmeter en een daarop afgestemde training is het paradepaardje van iedere trainer. Daarmee is de ellende begonnen, omdat de jeugd ’niet meer in het rood wil -of mag - rijden’. Erik Dekker zet in Wielerrevue nr.10-2001(pag.18) alle wauwelende begeleiders/trainers te kijk, door zijn uitspraak : ’Twee jaar geleden gooide ik die fietscomputer en hartslagmeter van mijn fiets af. Wat heb ik eraan om te weten dat ik 43 kilometer per uur rijd? Ik houd me niet meer krampachtig vast aan trainingsschema’s en informatie van hartslagmeters en fietscomputers. Trainingsprogramma’s volg ik niet te strikt meer. Alles heeft met zelfkennis en zelfvertrouwen te maken.’ Zal het toeval zijn, dat sinds Erik Dekker met een ’kaal stuur’ rijdt, hij harder fietst dan ooit?

Wereldkampioen veldrijden Erwin Vervecken is een ander voorbeeld van een ’verstandige coureur’. Hij is een goed o nderlegde Vlaming die in Wielerrevue nr.14-2001 (pag.11) de volgende uitspraak doet: ’Ik train op het gevoel, niet met een hartslagmeter of schema. Vergeet ook niet dat trainen met een hartslagmeter je altijd verplicht om alleen te trainen. Als jouw schema niet overeenkomt met dat van je trainingsmaat krijg je heel vervelende situaties’

Om de wartaal van trainers nog eens te benadrukken, geven we enkele voorbeelden. De jeugdtrainer - zelf notabene ruim dertig jaar licentiehouder - van een Haarlemse wielerclub vraagt aan zijn rennertjes: ’Wat is nou belangrijker, trainen of rusten.? De rennertjes geven uiteraard volmondig als antwoord: ’Trainen’. ’Neen, zegt de trainer, met glinsterende ogen en een vochtige, licht kwijlende mond: ’Rusten’. Daarna geeft hij een onbegrijpelijke uitleg met een zwijmelende gelaatsuitdrukking en een omfloerste stem, alsof hij de relativiteitstheorie van Einstein aan het ontleden is.

Natuurlijk is rusten belangrijk, maar je kan pas gaan rusten als je eerst getraind hebt. Dus zonder training is er geen sprake van rust. Training blijft dus de belangrijkste vereiste alvorens je over rust gaat praten en voorlichten. Dezelfde trainer - die het overigens goed meent, laat daar geen misverstand over bestaan - geeft in het clubblad een theoretische uitleg over maximale hartslag, lactaattabellen, omslagpunt, extensief en intensief duurwerk etc. volgens de formule van Karvonen. Daarna geeft hij een berekenvoorbeeld:
Stel je hebt een hfmax van 195, een rustpols van 48 en je wilt een normale duurtraining doen. Volgens de formule van Karvonen moet je dan trainen op 70%. Hoe rekenen we dit uit? Eerst neem je 195(hfmax) en vervolgens trek je daar 48 (rustpols) van af. Dan hou je over 147. Hiervan neem je 70% en dit is dus 103. Tel hierbij weer 48(rustpols) op. Kom je uit op 151. Je traint dan dus op een hartslag van tussen de 146 en 156 slagen boven en onder de uitkomst. De formule hiervoor is dus de volgende: Hartslag tijdens training= (hfmax-rustpols)x trainingspercentage in procenten + rustpols.

Bent u er nog? Dit kolderieke verhaal gaat nog enige tijd door. Op deze manier worden onze jonge renners dus knettergek gemaakt, want iemand die geen hogere school heeft gevolgd, denkt dat hij ’nooit een wielrenner kan worden’. In een ander wielerclubblad lezen wij een artikel van een zekere Frank Versteeg (sport- en revalidatiecentrum Kennemerland) en hij schrijft onder andere:
De wet van de supercompensatie geeft aan dat er na elke belastingprikkel een fase van herstel dient te zijn, waarin het lichaam zich aanpast om een volgende belasting beter aan te kunnen. Binnen de sport wordt de v erhouding arbeid-rust vaak uit het oog verloren. Tot zover kunnen wij Frank Versteeg volgen en zijn het zelfs met hem eens, maar dan komt er een opmerking waardoor vooral de jeugdige renners totaal verkeerd worden voorgelicht: Belangrijk in het kader van blessurepreventie is dus het rekening houden met deze wet. Twee wedstrijden in het weekend is voor de meeste renners teveel van het goede.

Ooit grotere wartaal gelezen en dan verwijten we de jeugd dat ze ’veel te gemakzuchtig zijn’. Ja nogal logisch met dit soort ’voorlichtende’ wartaal.

Trainers verkondigen daarnaast maar al te vaak hun stokpaardjes, dat ’veel trainingsuren maken achterhaald is, trainen achter een brommer uit de tijd is en het rijden van criteriums niet goed is’. Michael Boogerd maakte in de week voor het WK trainingstochten van acht uur of meer en hij is niet de enige! Jans Koerts werd kampioen van Nederland, doordat hij zich een week lang achter de brommer pijn deed. Wie geen criteriums kan of wil rijden, zal nooit geen coureur worden! Oudere renners onder ons werden vroeger vaak verkeerd voorgelicht:’als je slecht rijd moet je meer gaan trainen, zwemmen en douchen is slecht’. De verhalen over de Amsterdamse soigneur Moos Bremer uit de jaren zestig zijn historisch. Als na een etappe in Olympia’s Tour met snikheet weer de renners aan tafel hun dorst lesten, haalde hij soms alle flessen van tafel, want ’als je teveel drinkt gaat het vocht tussen de spieren zitten’. Er zijn renners uit die periode die nu nog met ’wandelende nieren’ rondlopen. Toch zijn we van mening dat de ’indoctrinatie en hersenspoeling’ wat betreft ’voorlichten van renners’ nog steeds niet is verdwenen (zie interview met Jurgen Pelt elders in dit blad). De ’wandelende nieren’ zijn vervangen door de negatieve en eveneens traumatische invloed van ’onleesbare en onbegrijpelijke trainingstabellen en hartslagmeters’. Let op: we veroordelen per definitie geen trainingsschema’s en ook geen hartslagmeters, integendeel zelfs, maar wel ’het heilige evangelie’ dat daaromheen wordt verteld! Een aantal wielerwetten is herschreven, maar sommige wielerwetten zullen nooit veranderen en altijd blijven bestaan. Daar hebben veel trainers moeite mee, want hoe kunnen zij nu nog hun eigen ego strelen.

Renners ’met kloten aan hun lijf’, ondergaan niet zelden door de wartaal van menig trainer/begeleider een tranformatie en veranderen in castraten. We moeten de trainer nog ontmoeten, die zegt: ’Niet lullen, maar fietsen.’