Wielerexpress
Recensies

Jan Zomer; alles uit liefde voor de sport

Zoals Friesland wacht op de Elfstedentocht, zo wacht wielrennend Nederland jaarlijks op de nieuwe Wielerexpress. Tenminste dat hoopt Jan Zomer, bedenker en schrijver van het prachtige boekwerkje dat jaarlijks heel wat tongen los maakt. Dit jaar verscheen de 28e uitgave en de liefhebbers hebben er weer van gesmuld. Jan Zomer kan tevreden zijn. Hij heeft zijn onblusbare liefde voor de wielersport weer knap in fraaie bewoordingen om weten te zetten.

Hoe men ook denkt over Jan Zomer en zijn vaak bijtende wielerproza, liefde voor de sport op twee wielen kan hem niet worden ontzegd. Zelf fietste hij twintig jaar als amateur, zonder ooit een hoogvlieger te zijn geweest. „Een paar podiumplekken”, blikt hij terug, „maar nooit gewonnen. Ik was een mannetje van de categorie 'tussen de vijftien en twintig'. Maar wel altijd uitrijden, afstappen deed ik nooit.”

Zomer, die als administratief medewerker bij een onderwijsinstelling zijn leven lang een volledige baan had, reed gemiddeld zo'n honderd koersen per jaar. Van zijn 18e tot zijn 38e jaar. ,,Ik spendeerde er al mijn snipperdagen aan en reed overal in het land. Trainen deed ik elke dag. Op de fiets van Zwanenburg naar mijn werk in Amsterdam. Zomer en winter door. En nooit een dag ziek geweest. Verder trainde ik alleen 's avonds voor de criteriums, voor klassiekers had ik tekort trainingstijd beschikbaar. Ik reed daarom maar een klassieker per jaar, de Ronde van de Haarlemmermeer. Hier bij mij om de hoek in Zwanenburg.”

Ofschoon hij nooit met bloemen thuis is gekomen, zat hij er toch wel eens dicht bij. Hij herinnert zich de ronde van de Dapperstraat in Amsterdam. ,,Tweede achter Ron Bakker, nipt geklopt. Over mijn beste wedstrijd hoef ik niet lang na te denken, dat was in Krommenie, Werd ik geklopt door Fred Tel maar wel op het podium met hem en ene Leo te Riele.” Is voor jan Zomer het wielrennen een soort levensovertuiging - hij koerst nu nog 'terminaal tussen de oudjes op Sloten en bij mijn club De Kampioen' - alles eromheen boeit hem in hoge mate. Als clubbladredacteur van eerst De Bataaf en later De Kampioen schreef hij al vroeg alles op over de wielersport. Daarnaast is hij een groot liefhebber van de 'nazit'. Heerlijk na de koers met een pilsje en een sigaartje in het clubhuis praten over alles wat de wielersport zo boeiend maakt.

Maar als de nood aan de man komt, stapt hij ook op de jurywagen om de jeugd in staat te stellen wielersport te bedrijven. „Van de week nog”, blikt hij terug, „was er hier een clubritje bij De Kampioen, Weinig deelnemers maar ik heb zo genoten van een nieuweling die hier won. Met zijn armen jubelend omhoog vierde hij zijn eerste overwinning, al had hij maar twee tegenstanders. Kijk, daar doe je het voor. Fantastisch als die jongens plezier hebben in hun sport.”

Daarom is Zomer ook zo lovend over met name Rob Dijkman en Ton Blom, de initiatiefnemers van Wheelerplanet, het prachtige wielercomplex in het recreatieschap Spaarnwoude. „Wat die mannen hebben gedaan voor de sport is echt fantastisch. Dat is echte liefde voor de sport”, aldus Zomer, Met diezelfde intentie zit Jan Zomer thuis in zijn zenuwcentrum, het piepkleine zoldertje, achter zijn computer. Omringd door stapels wielerboeken en -bladen, krantenknipsels en andere wielerattributen werkt hij elk vrij uurtje aan zijn levenswerk, het jaarboek Wielerexpress. Begonnen in 1974 als wieleragenda mondde dat uit in een boekje dat later ook verhalen bevatte en in 1983 het eerste grote interview; met streekgenoot Ab Geldermans.

Inmiddels is de 28e editie uit en heeft Zomer in die reeks van jaren zo'n 170 personen geïnterviewd of geportretteerd. Van Geldermans, Jo de Roo, Gerben Karstens, Steven Rooks, Freddy Maertens, Piet de Haas, Rik van Steenbergen, Jules Bruessing tot Peter Post, Jan Janssen, Tiemen Groen, Joop Zoetemelk en Leo Duyndam in het voorlopig laatste nummer.

„Ik heb het vertrouwen nooit beschaamd en ik denk dat ik wel een reputatie heb opgebouwd. Ik eiste ook altijd dat de geïnterviewden het vooraf zouden lezen. Op persoonlijke titel heb ik wel eens iemand onderuit gehaald, en behoorlijk ook, maar dan vond ik echt dat dat moest. Wat ik als hoogtepunt in mijn schrijversloopbaan beschouw is de zaak met jurylid Neelie Schouten. Zij waagde het om veteraan Ton Gieske te deklasseren omdat hij met beide handen los van het stuur winnend over de streep reed, nota bene honderd meter voor het peloton uit. Dat vond ik echt zo'n schandaal, zo'n volstrekte onzin dat ik daar hard op ben ingegaan. Ook een affaire met toenmalig KNWU-directeur Frank Buddels in de zaak rond Niels Bogaard was zo'n hoogtepunt.”

Zijn scherpe pen leverde hem daardoor een unieke plek in de Nederlandse wielersport op. Als enige Nederlandse licentiehouder in de geschiedenis werd hij voor een jaar geschorst. Niet omdat hij verboden stimulerende middelen had gebruikt, maar om de scherpe woorden in zijn boekje Wielerexpress.

De straf heeft Jan Zomer niet milder gemaakt in zijn bewoordingen. „Ik gebruik mijn pen als een fileermes. En misstanden in mijn ogen, snij ik aan. Wat me tegenwoordig zo bezig houdt is het gebrek aan vrijwilligers. Als ik dan hoor en lees dat er mensen zijn die zeven keer op een dag l'Alpe d'Huez willen beklimmen, voor het goede doel weliswaar, dan noem ik dat pure hysterie. Kijk, van mij mogen ze hoor, maar voor vrijwilligerswerk is geen mens te vinden. In mijn boekje wil ik zoiets brandend aan de orde stellen.”

Aan zijn passie voor de wielersport wordt geen afbreuk gedaan door de recente golf van dopingbekentenissen van heel wat 'grootheden'. Jan heeft er zelf in zijn Wielerexpress meermalen over geschreven; ook over zijn eigen gebruik van 'witjes', 'hartjes' en 'bommetjes'.

En in de nababbel op de club, die nu heel vaak over dit onderwerp gaat, geeft hij graag zijn mening over de zin maar vooral de onzin van al die middelen. “Van doping”, stelt Jan Zomer met nadruk, „kun je niet harder fietsen. Kijk, het zit allemaal heel simpel in elkaar. Een koers wordt beslist op het moment van de maximale snelheid niet door het gemiddelde. Een voorbeeld. In principe kan iedereen veertig gemiddeld rijden, maar als het 41 gaat, zie je de een na de ander afhaken. De koers wordt daarom op een heel klein stukje beslist. En wie de maximale snelheid niet aan kan, kan dat met doping ook niet. Maar voor sneller fietsen helpt het niet. Daar is alleen aanleg voor nodig.”

Een mening die hij uit eigen ondervinding zeker weet: “Doping helpt dus niet. Als het wel zou helpen, zou ik zeker wel eens een koers hebben gewonnen, als je begrijpt wat ik bedoel.”

Noord-Hollands Wielermagazine